Verdieping · KVB2

Betonde vaargeulen en onbetond ruim water onder BPR

Op ruim water onder het BPR moet je onderscheid maken tussen een vaarwater volgen, een hoofdvaarwater binnenvaren en elkaar met kruisende koersen ontmoeten.

2 minuten lezen · Inhoud bekeken op 24-09-2026

Deel 6: redactionele broncontrole op 24 september 2026. Geen volledige CBR-eindtermen-dekkingsaudit.Reglementen afzonderlijk gecontroleerd; bijzondere regels en toepassingsgebieden niet tussen SRW, SRE en BPR uitgewisseld. Controleer lokale aanwijzingen voor vertrek.

Eerst de manoeuvre bepalen

Op ruim water onder het BPR moet je onderscheid maken tussen een vaarwater volgen, een hoofdvaarwater binnenvaren en elkaar met kruisende koersen ontmoeten. Daar horen verschillende bepalingen bij. De aanwezigheid van boeien maakt niet iedere ontmoeting automatisch tot dezelfde voorrangssituatie.

Een betonde geul helpt bij het herkennen van het bevaarbare gebied, maar buiten de betonning kan eveneens bevaarbaar water liggen. Andersom bewijst veel open water niet dat er overal voldoende diepte is. Gebruik kaart, betonning en actuele waterstand samen en bepaal waar de stuurboordszijde van het relevante vaarwater ligt.

Een lateraal gemarkeerd hoofdvaarwater invaren

Artikel 6.16 lid 5 behandelt een bijzondere situatie: een schip vaart een lateraal gemarkeerd hoofdvaarwater binnen, anders dan vanuit een daarop uitmondend lateraal gemarkeerd nevenvaarwater. Het moet dan voorrang verlenen aan een schip dat in het hoofdvaarwater langs de laterale markering de stuurboordszijde volgt.

Die regel kan ook gelden wanneer het binnenvarende schip groot en het geulvolgende schip klein is. De voorwaarden zijn essentieel: maak er geen algemene regel van dat ieder schip tussen boeien altijd voorrang heeft. Bij een samenkomst van lateraal gemarkeerde hoofd- en nevenvaarwateren moet je de andere bepalingen van artikel 6.16 beoordelen. Een bord B.9 bij de uitmonding legt bovendien een specifieke verplichting op aan het uitvarende schip.

Kruisende koersen op open water

Bij kruisende koersen met gevaar voor aanvaring bepaalt artikel 6.17 eerst of een schip de stuurboordszijde van het vaarwater volgt. Het andere schip verleent dan voorrang. Volgt geen van beide die zijde, dan verleent een klein schip voorrang aan een groot schip. Voor kleine schepen onderling volgen daarna de regels voor wijze van voortbeweging en voor kruisende motorschepen.

Voorbeeld: twee kleine motorschepen kruisen op onbetond ruim water en geen van beide volgt de stuurboordszijde van het vaarwater. Het schip dat het andere van stuurboord ziet naderen, verleent voorrang. Onbetond betekent dus niet regelvrij.

Artikel 6.17 geldt niet voor de daarin uitgezonderde situaties, zoals keren, vertrekken, de samenkomst van hoofd- en nevenvaarwater en ontmoetingen met een veerpont. Controleer daarnaast bijzondere voorschriften voor het specifieke ruime vaarwater. Een regel die je op één meer gebruikt, mag je niet ongecontroleerd meenemen naar de Westerschelde of Eemsmonding.

Test jezelf

Bedenk eerst je antwoord. Open daarna de uitleg.

Een groot schip komt vanaf open water een lateraal gemarkeerd hoofdvaarwater in. Een klein schip volgt daar langs de markering de stuurboordszijde. Welke bijzondere regel kan gelden?

Artikel 6.16 lid 5: het binnenvarende schip verleent voorrang, mits aan de genoemde voorwaarden is voldaan en het niet uit een lateraal gemarkeerd nevenvaarwater komt.

Geldt artikel 6.17 zonder meer voor een schip dat vanaf zijn ligplaats vertrekt?

Nee. Vertrekken valt onder de uitzonderingen van dat artikel; je moet de bijbehorende manoeuvreregels toepassen.

Bronnen bij deze les